
De Sint-Martinusput, ook wel doopput genoemd, is één van de oudste historische plekken van Kontich. De bron ligt op één van de hoogste punten van Kontich en leverde eeuwenlang helder drinkwater. Mogelijk trok ze al vóór de kerstening mensen aan, al ontbreken daarvoor harde bewijzen. Na de kerstening werd de bron gewijd aan Sint-Martinus, de patroonheilige van Kontich. Volgens de overlevering werden hier de eerste christenen door volledige onderdompeling gedoopt. Later groeide de bron uit tot een bedevaartsoord, vooral voor mensen met oogkwalen. Na een lange periode van verval kreeg de Sint-Martinusput vanaf 1948 opnieuw aandacht. Het huidige monument, voltooid in 1989 naar een ontwerp van Joris Olyslaegers, verwerkt materialen uit oudere gebouwen en symboliseert de zoektocht van de mens naar leven, geloof en verbondenheid met het verleden.

De infanteriedepots – gebouwd in 1877-1879 – veranderden de geschiedenis van deze omgeving ingrijpend. Dankzij de ligging langs de spoorlijn Antwerpen-Mechelen-Brussel koos het Belgische leger deze plaats voor de opleiding en huisvesting van rekruten van het 9e en 10e Linieregiment. Rond de kazerne ontstond geleidelijk een nieuwe woonkern met woningen, herbergen, winkels en later een kerk en school. Zo kreeg het gehucht zijn blijvende naam: Kontich-Kazerne. De bakstenen paviljoenen, de paardenstallen en de omheiningsmuur vormen vandaag een zeldzaam bewaard voorbeeld van een negentiende-eeuws militair depot. De kazerne bepaalde meer dan een eeuw lang het uitzicht en de ontwikkeling van deze wijk en is nog steeds een belangrijk stuk bouwkundig en historisch erfgoed. De kazernepoort blijft – duidelijk zichtbaar vanuit een voorbijrijdende trein – daardoor een ijkpunt van Kontich-Kazerne.

Het station Kontich-Lint is vandaag het enige spoorwegstation op het grondgebied van Kontich. De spoorlijn Mechelen-Antwerpen werd al in 1836 geopend en in 1839 hield hier voor het eerst een trein halt. Dit station was vanaf het eind van de jaren zeventig in de negentiende eeuw voor vele jonge rekruten de afstapplaats op weg naar de nabijgelegen kazerne. Rond het station groeide geleidelijk een nieuwe woonkern, die bekend werd als Kontich-Kazerne, in de volksmond als Kokaz. De spoorweg sneed het gehucht Lint af van de moedergemeente Kontich. Toen Lint in 1870 een zelfstandige gemeente werd, behield het station de naam Contich. Later wijzigde de naam in Contich (Oost), Contich (Kazerne), Kontich (Kazerne) en Kontich. Sinds 2017 draagt het station de naam Kontich-Lint. Daarmee verwijst de benaming voortaan naar beide gemeenten die door de spoorweg ooit van elkaar werden gescheiden, maar door het station ook opnieuw met elkaar worden verbonden. De gemeentegrens tussen de beide dorpen loopt tussen spoor 1 en spoor 2.

Schrijver Abraham Hans leefde en werkte vanaf 1919 in Villa Houthulst aan de Antwerpsesteenweg. Anders dan vaak wordt verteld liet hij de woning niet bouwen, maar kocht hij het linkse gedeelte van een dubbele woning in Engelse cottagestijl van Paul Roelofs, de eigenaar van Rest and Be Thankful. Zijn dochter Helena herinnerde zich hun eerste bezoek: “Op een bepaalde dag zouden ze het huis zien. Het staat even buiten het dorp, te midden van een stuk ruwe bouwgrond.” Vanuit zijn eenvoudige tuinhuis, zijn “werkkot”, schreef Hans honderden kinderboeken, volksromans en verhalen die in heel Vlaanderen werden gelezen. Villa Houthulst groeide uit tot een gastvrije ontmoetingsplaats voor familie, vrienden en lezers. De woning bestaat vandaag nog steeds en blijft een tastbare herinnering aan een auteur die zijn naam blijvend met Kontich verbond. De naam verwijst naar de West-Vlaamse gemeente Houthulst die erg geleden heeft onder de Eerste Wereldoorlog, maar ook de thuishaven was van de bende van Baekelandt die in één van de belangrijkste romans van Abraham Hans wordt beschreven.

Paul Roelofs liet in de Antwerpsesteenweg architect Ernest Stordiau een villa in Engelse cottagestijl bouwen. De villa dankt haar naam Rest and Be Thankful aan een idyllische Schotse bergpas die de Kontichnaar tijdens een reis bezocht. De woning kreeg echter vooral historische betekenis op 9 oktober 1914. Terwijl de Duitse troepen Antwerpen omsingelden, ontmoetten de burgerlijke vertegenwoordigers van de stad hier de Duitse bevelhebber generaal Hans von Beseler. Na korte en dwingende onderhandelingen werd in de villa de Conventie van Kontich ondertekend, waarmee de burgerlijke overgave van Antwerpen werd geregeld. Die beslissing voorkwam verdere verwoesting en bijkomende slachtoffers in de stad. De villa bleef bewaard en vormt vandaag een tastbare herinnering aan een belangrijk moment uit de Eerste Wereldoorlog. De tafel en stoelen waaraan de overeenkomst werd ondertekend, worden bewaard in het documentatiecentrum Jozef Van Herck van de Koninklijke Kring voor Heemkunde.

Kontich was ooit de thuisbasis van één van de belangrijkste cactusverzamelingen van Europa. De grondlegger was Frans De Laet (1866-1928), een Kontichse koffiehandelaar die uitgroeide tot een internationaal vermaard kenner van cactussen en vetplanten. Vanaf 1893 bouwde hij achter zijn woning aan de toenmalige ’s-Herenlei een indrukwekkend serrecomplex. Bij zijn overlijden omvatte het 21 serres, samen goed voor meer dan 2.500 m². De Laet onderhield contacten met verzamelaars en botanici uit de hele wereld. Zijn planten werden bekroond op internationale tentoonstellingen en zijn catalogi genoten een uitstekende reputatie. Hij was medeoprichter van verenigingen voor cactusliefhebbers in Duitsland en Nederland. Na zijn overlijden zette zijn schoonzoon Arille Teucq de kwekerij, die 35 werknemers telde, verder. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de serres geleidelijk. Vandaag rest niets meer van het complex, maar plantennamen als Echinocereus delaetii en Coryphantha delaetiana houden de herinnering aan deze uitzonderlijke Kontichse pionier levend.

In het Langbos van Kontich-Kazerne staan sinds vele eeuwen twee kapellen. Hun geschiedenis is onlosmakelijk verbonden met een eeuwenoude legende. In 1637 werd in een knotwilg in Duffel een Mariabeeldje gevonden. De vindplaats groeide uit tot een drukbezochte bedevaartplaats, maar in 1683 werd het gestolen. Twee jaar later vond een boer het beeldje tussen de struiken van het Langbos. Sommige bronnen spreken van een eik. Uit dankbaarheid werd op die plek een kapel gebouwd. De groeiende bedevaart leidde echter tot een conflict tussen Kontich en het toenmalige gehucht Lint over de opbrengst van de offergaven. Daarom liet een welgestelde weduwe uit Lint in 1838 deze ruimere boskapel bouwen in het Perkbos. Toen Lint in 1870 een zelfstandige gemeente werd, fungeerde de spoorweg definitief als gemeentegrens, waardoor de kapel op Kontichs grondgebied stond. Nog steeds vormen de boskapellen een geliefde halte voor wandelaars, fietsers en bedevaarders, en een tastbare herinnering aan een eeuwenoude volksdevotie. Het Langbos is één van de weinig overgebleven bossen die vroeger in Kontich en Waarloos stonden.

Brouwerij De Sleutel behoort tot de oudste brouwerijen van Kontich. Op deze plaats stond al in 1503 brouwerij De Rode Leeuw. Vanaf het midden van de zestiende eeuw was De Sleutel meer dan drie eeuwen lang in handen van opeenvolgende generaties van de familie De Meulder. Tot 1933 werd hier bier gebrouwen; daarna produceerde het bedrijf nog limonade tot begin jaren 1980. Zoals vele dorpsbrouwerijen was De Sleutel aanvankelijk ook een boerderij. Eigen gerst en hop, paarden voor het vervoer en een goede en zuivere waterader vormden de basis van het brouwbedrijf. In de zeventiende en achttiende eeuw kende Kontich een bloeiende brouwnijverheid. Brouwerijen als De Valk, De Roos, De Arend, Het Schaakbord, De Witte Engel en Den Hoorn voorzagen niet alleen het dorp van bier, maar leverden ook aan Antwerpen, waaronder het opnieuw populaire Seefbier. Met het verdwijnen van de lokale brouwerijen verdween een eeuwenoude ambachtelijke traditie, waarvan De Sleutel de bekendste vertegenwoordiger bleef en daarom hier een plaatsje verdiende.

Brouwerij Maes, later Alken-Maes – jarenlang de op twee na grootste brouwerij van België – bevond zich tot het begin van de 21e eeuw aan de Grote Steenweg in Waarloos. De brouwerij, ontstaan als brouwerij Sint-Michaël, kwam in 1880 in handen van de familie Maes die de naam in Maes veranderde. Onder Ferdinand en Theofiel Maes groeide het bedrijf uit tot een succesvolle stoombrouwerij met bekende bieren als Prima Maezenbier, Paterke-Maes en Export. In 1946 volgde de lancering van Maes Pils. Brouwingenieur Herman De Nayer gaf vanaf 1950 een sterke impuls aan de verdere groei en lag mee aan de basis van het abdijbier Grimbergen. Door opeenvolgende fusies ontstond Alken-Maes. In 2000 verhuisde de productie naar Alken en tien jaar later sloot ook de administratieve afdeling in Waarloos. Daarmee kwam een einde aan meer dan een eeuw brouwerijgeschiedenis op deze plek. De vatendragers op het logo gaan terug op het verhaal van Jozua en Kaleb uit het oude testament in hun tocht naar het beloofde land.

Altena kent een geschiedenis die teruggaat tot de 14e eeuw. De naam verwijst naar een plek die al te na bij het Hof van Pluysegem lag en wordt daarom uitgesproken met een korte e, zoals in het woordje te. Op het domein stonden een kasteel en een lusthof, omgeven door een park dat vandaag nog altijd het groene hart van Altena vormt. In 1875 kocht Mère Jeanne, stichteres van de Zusters Dienstmaagden van de Heilige Harten van Jezus en Maria, het domein. Samen met twintig zusters en zeventig weeskinderen verhuisde zij naar Kontich. Daarmee begon een onderwijstraditie die vandaag, 150 jaar later, nog altijd voortleeft. Naast onderwijs bood Altena jarenlang onderdak aan een industriële wasserij, waarvan de zusters de bijnaam "zeepnonnen" kregen. Zij wasten het tafellinnen voor de koninklijke familie. Later groeide ook de speeltuin (tussen 1961 en 1986) uit tot een begrip voor duizenden kinderen uit heel Vlaanderen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden negen Joodse meisjes er een veilig onderduikadres. Vandaag is Altena nog steeds een levendige ontmoetingsplaats met een school, woonzorgcentrum, academie, cultuuractiviteiten, horeca en een uitgestrekt park. Bovenal blijft Altena al anderhalve eeuw een plaats waar generaties kinderen leren, opgroeien en kansen krijgen.

De Doodenhof wordt sinds 1913 betreden via het monumentale poortgebouw, dat toegang geeft tot de gemeentelijke begraafplaats van Kontich. Het werd ontworpen door de Antwerpse bouwmeester Karel Mattheys en uitgevoerd door aannemer Frans Van de Velde. Met zijn rode baksteen, witte natuurstenen accenten, leien daken en sierlijke smeedijzeren poorten is het een fraai voorbeeld van de neogotische architectuur uit het begin van de twintigste eeuw. Het gebouw was meer dan een toegangspoort. In de zijvleugels bevonden zich een wachtruimte voor nabestaanden en een dodenkamer waar overledenen konden worden opgebaard. Zo verenigde het een praktische functie met een sterke symbolische betekenis: de overgang van de wereld van de levenden naar die van de doden. Achter het poortgebouw werd de begraafplaats aangelegd, eerst waaiervormig, maar daarna volgens een strak dambordpatroon, kenmerkend voor de nieuwe inzichten rond hygiëne, orde en waardigheid die het begraafplaatsontwerp aan het begin van de twintigste eeuw bepaalden. Meer dan honderd jaar later blijft het poortgebouw het herkenbare gezicht van het kerkhof. De belangrijkste graven hebben nu een QR-code, waarmee je de geschiedenis van de persoon kan terugvinden.

Al meer dan drie eeuwen vormt dit gebouw de plaats waar het lokale bestuur van Kontich zijn thuis vindt. Vanaf 1663 zetelde hier het schepencollege in een gebouw dat ook dienstdeed als herberg, gevangenis en woning van de cipier. In 1813 werd het vervangen door een nieuw gemeentehuis met onder meer een vredegerecht en een gevangenis. Het huidige gebouw verrees in 1859-1860 naar ontwerp van architect Eugeen Gife, in een neoromaanse stijl die gezag en representatie uitstraalt. Op de benedenverdieping bevond zich opnieuw een gevangenis, terwijl de gemeentelijke diensten de bovenverdieping gebruikten. De raadzaal kreeg in 1905 een bijzondere uitstraling dankzij de monumentale muurschilderingen van Jan Baptist Huysmans, waarop belangrijke plaatsen en historische gebeurtenissen uit Kontich zijn afgebeeld. De zaal wordt vandaag nog als trouwzaal gebruikt. Tot de verhuis naar het nieuwe gemeentehuis in 1982 bleef dit het bestuurlijke hart van de gemeente. Vandaag herbergt het gebouw de erfgoedorganisatie Zuidrand en blijft het een markant symbool van de Kontichse geschiedenis.

Sint-Martinus is al eeuwen de patroonheilige van Kontich. De oudste Sint-Martinuskerk stond op het huidige Sint-Martinusplein en werd omringd door het middeleeuwse kerkhof van de moederparochie, waarvan later verschillende omliggende parochies werden afgesplitst. In de 12e eeuw verrees op deze plaats een tweede kerk, oorspronkelijk gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. De aanwezigheid van twee kerken naast elkaar hield verband met de middeleeuwse tweedeling van Kontich tussen het Land van Rijen en het Land van Mechelen. Het oude Sint-Martinuskerkje verdween in de 16e eeuw en zijn naam ging over op de grotere kerk. Van de andere kerk bleef enkel de romaanse toren bewaard. Die diende niet alleen als klokkentoren, maar ook als schuil- en verdedigingstoren, herkenbaar aan de kleine schietgaten. Na een verwoestende brand in 1572 werd de kerk heropgebouwd. In 1928-29 werd de kerk uitgebreid tot de huidige toestand. De toren is beschermd sinds 1981, de volledige kerk sinds 2001. De kerk herbergt ook een zeer waardevolle Feugère-orgel, sinds 1981 beschermd erfgoed. De kerk staat symbool voor de drie andere kerken op ons grondgebied: Sint-Rita (Pierstraat), Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen (Kontich-Kazerne) en Sint-Michaël (Waarloos).

Het nieuwe gemeentehuis van Kontich werd gebouwd in 1980-1982 naar een ontwerp van gemeentearchitect Maurice Cornelis. Het verving het negentiende-eeuwse gemeentehuis op het Gemeenteplein, dat te klein en niet langer aangepast was aan de groeiende gemeentelijke dienstverlening. De nieuwe locatie, op de hoek van de Antwerpsesteenweg en de Magdalenastraat, bood ruimte aan een eigentijds administratief centrum, terwijl het historische gemeentehuis zijn erfgoedfunctie kon behouden. Het gebouw weerspiegelt de architectuur van zijn tijd: functioneel, overzichtelijk en gericht op efficiëntie. Grote glaspartijen zorgen voor licht en openheid. Sinds de ingebruikname vormt het gemeentehuis het bestuurlijke hart van Kontich en Waarloos. Samen met het oude gemeentehuis vertelt het gebouw het verhaal van twee eeuwen lokaal bestuur: van het historische schepenhuis op het Gemeenteplein tot een modern administratief centrum, aangepast aan de noden van een eigentijdse gemeente.
